KiesUwCursus
Home Juridisch Nieuws & Actualiteiten | Blog Afdeling komt burger tegemoet in uitspraak over vertrouwensbeginsel
Naar alle blogs

Afdeling komt burger tegemoet in uitspraak over vertrouwensbeginsel

In de uitspraak 201802496/1/A1 van 29 mei jl. heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een beroep op het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht gehonoreerd.

11 juni 2019

Deze beslissing komt voort uit de toepassing van het stappenplan dat staatsraad advocaat-generaal Wattel eerder dit jaar in een conclusie neerlegde. Volgens dit stappenplan moet ten eerste worden vastgesteld of de uitlating van het overheidsorgaan mag worden opgevat als een toezegging. Vervolgens moet worden gekeken naar de bevoegdheid van de persoon die het vertrouwen heeft gewekt. Het moet dan gaan om ofwel het bestuursorgaan zelf, ofwel een persoon waarvan de burger redelijkerwijs mocht aannemen dat deze de opvatting van het bevoegde bestuursorgaan weergaf. Ten slotte moet er een belangafweging plaatsvinden tussen de burger die zich op het vertrouwensbeginsel beroept en dat van derden. 

In de uitspraak ging het om een vrouw die haar dakterras van haar huis in Amsterdam moest verwijderen omdat zij geen vergunning had. Het terras werd zo’n 25 jaar geleden zonder vergunning aangelegd omdat de bouwinspecteur en andere ambtenaren de eigenaren hadden verzekerd dat een vergunning niet nodig was. De Afdeling gaat alle, door Wattel geformuleerde, stappen langs en schept meer duidelijkheid over het toepassingsbereik van het vertrouwensbeginsel.

Kwalificatie van de uitlating

Met betrekking tot de eerste stap overweegt de Afdeling dat niet de werkelijke bedoeling van het bestuursorgaan de doorslag geeft, maar wat een redelijk denkende burger uit de uitlating mag afleiden. De Afdeling sluit zich aan bij de overweging van Wattel dat ‘het van belang is dat de betrokkene te goeder trouw is, wat betekent dat de betrokkene alleen een beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel indien hij de in het kader van een toezegging relevante feiten en omstandigheden correct heeft weergegeven.’ Er rust een onderzoeksplicht op degene die beroep wil doen op het gewekte vertrouwen. Men mag dus niet bij elke uitlating of gedraging klakkeloos aannemen dat het bestuursorgaan, of ondergeschikte daarvan, de bevoegdheid had om te beslissen over het geval.

In het huidige geval hadden betrokkenen hun plannen met de bouwinspecteur gedeeld. In een intern memo zou de inspecteur deze plannen opnemen en vermelden dat het terras met bemoeienis van Bouw- en Woningtoezicht gerealiseerd was. Indien zij niet op korte termijn een tegenbericht zouden ontvangen, mochten ze beginnen met de aanleg. Enkele jaren later lieten twee ambtenaren uitdrukkelijk weten dat niet handhavend zou worden opgetreden omdat het terras al zo lang aanwezig was. De Afdeling oordeelt daarom dat er ‘wel sprake is van een welbewuste standpuntbepaling dat niet handhavende tegen het dakterras zou worden opgetreden.’

Sprake van bevoegdheid?

Zoals bij de eerste stap werd vermeld, wordt de bedoeling van het bestuursorgaan niet als uitgangspunt genomen. Er is dus sprake van een verschuiving naar een burgerperspectief. Hiermee wil de afdeling duidelijk maken dat ook uitspraken van een onbevoegd persoon vertrouwen kunnen wekken indien ‘de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat deze personen de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkten.’ Als voorbeeld geeft de Afdeling een wethouder die de indruk wekt dat hij bevoegd is om opvattingen van het college te vertolken en toezegging doet op het terrein van zijn portefeuille. Dit geldt ook voor een inspecteur bouw- en woningtoezicht en medewerkers van de afdeling vergunningverlening of handhaving. Toezeggingen van medewerkers die normaliter alleen bevoegd zijn tot informatieverstrekking, zoals een receptioniste, kunnen dit vertrouwen niet wekken.

Het komt dan ook niet als een verassing dat de Afdeling oordeelt dat verondersteld mocht worden dat ‘de beide ambtenaren met wie zij hadden gesproken de opvatting van het college vertolkten over het handhavingsbeleid inzake oude dakterrassen. De afdeling betrekt hierbij dat de beide ambtenaren, van wie de Afdeling aanneemt dat zij belast waren met het toezicht (handhaving van) dakterrassen dan wel met het beleid inzake (de handhaving van) dakterrassen, verklaarden dat tegen oude dakterrassen niet zou worden opgetreden.’ Betrokkenen mochten dus veronderstellen dat de gedoogbeslissing de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkt.

Belangenafweging

Nu aan stap één en twee is voldaan, komt de afdeling toe aan de belangenafweging. In het onderhavige geval was er geen sprake van klachten van omwonenden. De omringende panden hadden immers bijna allemaal een dakterras. De Afdeling is van oordeel dat ‘niet is gebleken van zwaarder wegende belangen dan het belang van [wederpartij] bij behoud van het betreffende deel van het dakterras [..].’ Hieruit volgt dat handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Met deze uitspraak heeft de Afdeling de te goeder trouwe burger tegemoet willen komen. Vertrouwen kan via verschillende wegen worden opgewekt en kan ook door feitelijk onbevoegden worden geschonken. Enige waarborgen tegen een te brede interpretatie van het vertrouwensbeginsel worden echter wel geformuleerd. Zo is er nog steeds sprake van een onderzoeksplicht en moet er een serieuze afweging van belangen plaatsvinden. In de uitspraak 201807643/1/A1 van dezelfde dag besloot de Afdeling bijvoorbeeld dat de belangen van het in die zaak betrokken bedrijf zwaarder wogen dan die van appelante.

Bekijk hier cursussen Bestuurs- en Omgevingsrecht:

Bestuurs- en Omgevingsrecht